Add to Collection
About

About

Twintig rijk geïllustreerde gedichten om voor te lezen aan kinderen, maar ook om zelf bij weg te dromen. De schrijver neemt je op humoristische w… Read More
Twintig rijk geïllustreerde gedichten om voor te lezen aan kinderen, maar ook om zelf bij weg te dromen. De schrijver neemt je op humoristische wijze mee naar een fantasiewereld, waar een nijlpaard gaat rappen, een mier loten verkoopt, een olifant in een theater optreedt en koeien door het dolle zijn als ze na de winter weer naar buiten mogen. Ook een ontroerend gebedje van Hannah en een kinderlijke verliefdheid zullen een glimlach op je gezicht toveren. De kleurrijke illustraties zijn een prachtige aanvulling op de gedichten. Read Less
Published:
Gedichten Ria Dokter 06-53841028, riadokter@hotmail.com YouTube kanaal: 51goud
Illustraties Joanneke marchal

Luchtblauw
In de lente
als het warm wordt,
wacht ik op de grote dag.
Want de koeien gaan naar buiten
heel erg blij dat dat dan mag.
’t Begint heel zachtjes metgerommel,
komen ze dan dichterbij,
wordt het een grote koeieherrie,
dat is feest voor hun en mij.
Ze lopen echt niet in een rijtje,
dat komt door hunnieuwsgierigheid.
Ze willen dwalen door de tuinen,
maar dat kan niet, door de meid.
De meid erachter op haar fietsje,
met een zweep vast in haar hand,
geeft een knaller op de stenen
dan springen ze niet uit de band.
Als het feest dan weer voorbij is
geef ik een hele diepe zucht.
’k Ben dan blij, net als dekoeien
en kijk naar de blauwe lucht.
Bagger

Lag ik, lekker voor m’n lol,
als relaxte platte schol,
in de zee, diep weggedoken,
met mijn ogen half geloken.
Ik deed een dutje, k’lag te soezen,
weg te dromen en te roezen,
toen m’n leven in een tel,
omgedraaid werd, t’was een hel.
Een baggerschip zoog alles op.
De hele buurt lag op z’n kop.
Ik schrok me rot, ik was klaar wakker.
Ik ben wel een schol, maar niet voor de bakker.
Achter het schip vlogen de meeuwen.
Ik hoorde ze krijsen , ik hoorde ze schreeuwen.
Nou gun ik meeuwen best wat eten,
maar ik, als schol, ben niet te vreten.
Ik ging als een paling aan de haal,
ontnam de meeuwen zo een maal.

Het baggerschip is weggevaren.
Alles is weer aan t’bedaren.
De boel is gelukkig tot rust gekomen.
Ik lig weer te soezen en weg te dromen.
Bijknippen

Ikzat gisteren, heel erg dapper,
metm’n moeder bij de kapper.
Ikwas wel een beetje bang.

Wezouden gaan om Bij te knippen.
Noudat zag ik dus wel zitten.
Mijnhaar was dan in een klap lang.

Ikwou het allemaal geloven,
toenzag ik de Schaar, daarboven
enmijn haren op de grond.

Mijnmoeder had het dus gelogen.
Ikvoelde me heel erg bedrogen
enniet mooi en lang en blond.

Ikhad nu echt een stekelkoppie
enik dacht; ik ga, nee, nooit meer
naardie stomme kapper toe.

Zekunnen me nog meer vertellen
alstaan ze honderd keer te bellen.
Ik luisterniet meer naar m’n moe.
DebuTante

Er was een dikkedebuTante
en een dikke debuOom.
‘t Waren grote olifanten
en ze waren ietwat loom.
Ze kwamen hier om op te treden
voor een breed en wild publiek.
Maar voordat ze zouden beginnen
werd de tante een beetje ziek.
Ze voelde zich zo zenuwachtig,
pijn in de maag, de buik, de slurf.
''Oh m’n lieve'', zei de tante,
''schat, ik denk niet dat ik durf''.
''Goeiemorge, lieve hemel,
we staan hier nu net helemaal klaar.
Als jij niet met me op wilt treden
ben ik allenig de sigaar.
Kom nou maar, het gaat wel over,
als we eenmaal bezig zijn.
We hebben nu zo vaak geoefend,
meid, straks loopt het als een trein''.
Nou daar gingen ze, ietwat bibberig.
Het publiek die zag dat niet,
Want ze gilden en ze juichten
tot het paar hen weer verliet.
''Zie je nou, het ging geweldig.
Groot applaus voor jou en mij!''
''Ja, m’n buikpijn is nu over,
’t is weer helemaal voorbij''.

Alles wat je dus voor ’t eerst doet
geeft je best een eng gevoel.
Maar het gaat je zeker lukken,
als je begrijpt wat ik bedoel.
Dromeland

Loopik naar school
danis het of ik
op een lange reis ga.

M’nschooltas met m’n spullen
hebik om.
Eenkoe likt
aaneen steen
meteen hele lange tong.
Alsik die steen zou zijn,
brrr…

Ineenskomen
gillendeganzen
overme heen.

Ikkijk omhoog,
waarkwekken ze
tochaltijd over.
Hebbenze ruzie
overwie er voorop mag
ofwaar ze gaan winkelen?

Ikdoe alsof ik groot ben
envoor het gezin
boodschappendoe.

Ondertussen
knapik met mijn vingers
blaadjesvan de heg in twee.

Daaris de school.
Hetgewone leven gaat weer beginnen.
Een uil in Flevoland

Eenuil op een tak in Flevoland,
diehad iets heel vies geroken.
Hijwerd er een beetje misselijk van
enis toen vlug weggedoken.

Hijvluchtte eerst in een ouwe schuur,
daarstonden wel twintig koeien.
Zewerden gestoord vanwege de uil
enbegonnen heel boos te loeien.

Deuil vloog snel weg en zag daar een meer.
Laatik daar maar eens lekker gaan zitten.
Toenhij er kwam stonk het errug naar ham
wantdaar lag een varken te pitten.

Deuil zag wat later een stevige stok,
daarkon hij wel wat op gaan tukken.
Vanslaap kwam er niets,
Hetwas een mast van een boot
waarde wind steeds maar aan zat terukken.

Zokwam hij toch nooit aan z’n slaapje toe,
eengoeie dagrust kon hij wel vergeten.
Alshij dat eerder geweten had,
danhad hij het wel geweten.

Hijwas dan gewoon, met stank en al,
opz’n takje blijven zitten.
Deuil had dan al een uur ofzo
lekkergeurig kunnen pitten.
Engeland

Ikwas een keer in Engeland.
Methet vliegtuig daar geland,
wildeik een praatje maken.
Ikkon ze echt niet goed verstaan,
dustoen ben ik maar weggegaan.
Gebed van Hannah

“Alswe gaan verhuizen,”
zeiik tegen de Heer,
“danwil ik een roze kamer,
nietsminder en niets meer.
Ermoeten gouden kroontjes
enbloemen op de muur.
Ohja en ook nog sterretjes,
datis toch niet te duur?”

Mijnmoeder dacht: ”Ach ja,
datschilder ik er wel op.
Wemaken het gezellig
meteen knuffel en een pop.”

Toenkregen we de sleutel,
wemochten in ons huis.
Wegingen overal kijken
envoelden ons er thuis.

Maartoen we boven kwamen
gafm’n moeder ineens een gil.
“Kijknou toch eens Hannah,
precieswat jij wil!”

Daarwas mijn roze kamer,
engeschilderd op de muur,
dekroontjes en de bloemen,
desterretjes (niet te duur).

’kZei: “Mam waarom moet je schrikken?
Hijwist dat ik dit wou.
Watik vraag, dat doet de Heer.
OmdatHij van me houdt.”

Grappige Chaim

Ikben heel leuk

datweet ik.

Omdatde mensen

altijdlachen

ommijn grappen.

Maarhet is gek

alsik expres leuk wil zijn,

lachenze niet.
H. de Mier

H.de Mier was opgeschoten
metde verkoop van zijn loten,
delaatste twee waren betaald.
Hijhad er dagen mee gelopen,
t’wasveel werk, een lot verkopen,
maarhij had het toch gehaald.

t’Hadhem niet zo meegezeten,
hetwas zwaar , hij liep te zweten
metdie loten in z’n tas.
Volgendjaar zou hij eerst trainen
tegenkrampen in z’n benen,
ach,hij wist waarvoor het was.

Armemieren in verre landen
langsde Afrikaanse stranden
haddenhet niet echt heel breed.
Metde loten kon je sparen
envoor hen wat geld vergaren,
ja,hij wist waar hij t’voor deed.

Hijgaf een zuchtje van verlichting
enhij liep meteen de richting
vanz’n warm, gezellig huis.
Zozou hij wat lekkers drinken,
metzijn vrouw een glaasje klinken:
Lieveschat, k’ben klaar, k’ben thuis!

Jasjeuit en ook zijn schoenen,
dankon hij z’n voeten boenen,
daarnanam hij wel een douche.
Nueerst lekker lui gaan zitten,
misschienwel een dutje pitten,
ja,hij voelde al een roes.

Zijnslaapje was al halverwege,
toenin z’n ooghoek, heel verlegen,
hijzijn lieve vrouwtje zag.
Zezei: Zeg Herman, kom es even,
hierliggen er toch ook nog zeven?
Kommijn schat, weer aan de slag.
Het onafhankelijkeuilskuiken

Hetkuiken dacht; ik ben wel iemand
dievan wanten weet.
Datdacht’ie zo omdat hij zoon was
vande wijze uil, zoals dat heet.
Zodacht hij ook: Ik zal wel zeker
bestemdzijn anderen iets te leren.
Hijmaakte zich dus op
omzichzelf goed te presenteren.
Hijsleep zijn kromme snavel,
wastezich achter zijn oren
entoe hij daar mee klaar was
voeldehij zich als herboren.
Hijpoepte nog een drolletje
enspoog een uilebal.,
begontoen na te denken
wathij zoal zeggen zal.
Zijnpa had altijd wijze woorden
uitz’n mouw geschud.
Maardie was nu aan t’jagen
bijeen Canadese hut.
Diekon hij dus niet vragen
enz’n broer was op vakantie.
Opreis met een gezelschapsreis,
zoeentje met garantie.
Hetkuiken zat te denken,
hadal menig bal gekotst.
Deuren die verstreken,
maaktehem iets minder trots.
Hijwist nog niks, er kwam niets uit,
misschienwas hij niet zo wijs.
Opt’laatst ging hij, net als zijn broer
metde anderen op reis.
Daarleerde hij veel, het luisteren
enook om zich heen te kijken.
Zokon ook het onafhankelijk jong
zijnleven toch verrijken.
Hondeleven

Mijn baas heeft een strandtent,
is altijd heel druk.
Met zo’n baas, moet ik zeggen,
heb je als hond veel geluk.

Ik zelf houd steeds
een oogje in het zeil.
Ik snuffel wat rond
en ik kwijl.

Als de baas weer eens
een klus heeft geklaard,
licht ik mijn poot op
en wiebel met mijn staart.

Ik lig in de zon
of ik lig in de weg.
Ik kijk hoe hij werkt,
ben trots op hem zeg.

Ik knipoog dan weer
naar die fijne vent
en droom over hem,
mijn baas van de strandtent.
Bacil

Ik ben een bacil,
ik weet wat ik wil:
Mensen besmetten!
Dat ze niezen en hoesten,
snotteren en proesten.
Oh, wat vind ik het toch fijn
een lekkere vieze bacil te zijn.
Meisjes

Meisjes,meisjes,
watmoet je nou
metmeisjes?
Zehouden niet
vanmodder
ofvechten in het gras.
Nietvan rare grappen
ofrollen in een plas.
Zehebben lange vlechten
engekke jurken aan.
Ofheel veel speldjes in hun haar,
watheb je daar nou aan?
Ikbegrijp de lieve Heer niet,
dathij meisjes heeft gemaakt.
Enwat je daar nou mee aan moet
datsnap ik niet zo vaak.
Meneer de Zwaan

Meneerde Zwaan kwam aangedreven.
Opz’n hoede bij het leven
loerdehij steeds om zich heen.
Hijverkoopt je rake klappen
enals je denkt te moeten grappen
breekthij zo je arm of been.
Somskomt hij ook wel uit het water,
veelgedoe en veel gesnater,
staathij midden op de weg.
Komthij dan een auto tegen,
Is’ieecht niet te verlegen,
slaatook zelfs de auto zeg.
Jekunt dan beter terug gaan rijen.
Mevrouwde Zwaan zit op haar eieren
ener mag dus niemand door.
Meneerde Zwaan wil zo bewijzen
datje hier nu niet kan reizen.
’kZou dan ook maar luist’ren hoor!
Micha

Ikga ineens
zoveelharder
nuik mijn nikies heb.
Ikren over de stoep,
nou,nog harder dan een step.
Hetis alsof ik vlieg,
ikspring zo op een muur.
Ikkan ook heel lang doorgaan
wellanger dan een uur.
Demensen blijven stilstaan
alszij mij zo zien gaan.
Zezeggen: ’’Moet je kijken,
hijheeft nieuwe trimmers aan.’’
Mijn Neef

Ik was vroeger altijd verliefd op mijn neef.
We groeiden samen op,
maar groeide hij scheef.
Mijn neef werd alsmaar langer en langer.
Z’n schouders leken wel klerenhangers.
Zijn hoofd werd kaal,
zijn buik steeds dikker.
Hij leek een beetje op een kikker.
Waar was toch die knappe neef gebleven,
waar ik bij zou blijven heel mijn leven?
Hij stotterde ook nog die arme jongen.
Z’n stem sloeg over als we zongen.
Zijn rug was behaard tot net aan z’n billen,
als je hem zag zou je zo gaan gillen.
Dacht ik aan hem dan begon ik te beven.
Dus ben ik maar alleen gebleven.
Mijn sabbellap


Ik moet mijn popje bij me hebben
en mijn sabbellap.
Mijn boeken moeten recht staan,
mijn aapje op de trap.

Ik wil mijn lichtje aan nu,
mijn kussen ligt te hoog.
Mijn sokken wil ik aan in bed,
dat voelt zo lekker droog.

Ik ga nu weer naar dromenland,
daar is het altijd mooi.
Ik ben daar een boerinnetje
en spring dan in het hooi.

Maar morgen word ik wakker
en zie mijn spullen staan.
Dan wil ik leuke staartjes
en mijn rode jurkje aan.

Ik moet mijn popje hebben
en ook mijn sabbellap.
Mijn boeken moeten rechtstaan
en mijn aapje op de trap.
Rapper

Ineen neushoorn zitten gaten.
Tochkan dat kolos niet praten,
‘kheb nog nooit z’n stem gehoord.
Alshij rent dan kan die vlugger
daneen Harley Sportster Hugger,
eenunieke in z’n soort.
‘k Zithet zomaar te verzinnen,
datde neushoorn, stiekem, binnen,
danineens een rap begint.
Doetz’n bek dan heel wijd open,
begintook swingender te lopen,
alshij daar z’n liedje zingt.
Uitz’n dak in een kwartiertje.
Enhet scheelt hem echt geen ziertje,
ookal staat ie in z’n hemd.
Mochtje ooit het beest zien liggen
lekkerlui, zoals de biggen,
’tis de Rapper,
stoerevent!
Vogeltje

Vogeltje, oh vogeltje,
was ik maar zoals jij.
Dan vloog ik
hoog boven de stad
en voelde me zo vrij.

Dan stak ik, zeker weten,
mijn tong eens lekker uit.
Want niemand kon zo hoog
en niemand zong zo luid.

En als het dan ging regenen
zat ik op de regenboog.
Heel lekker dicht bij onze zon.
Het was daar altijd droog.

Ik zou ook ver gaan vliegen
over alle landen heen.
Naar Afrika, Amerika,
met anderen of alleen.

Daarna ging ik dan landen
weer veilig op de grond
en pikte met mijn snavel
totdat ik wurmen vond.