Showcase & Discover Creative Work Sign Up For Free
Hiring Talent? Post a Job

Bēhance

Luchtblauw gedichten

  • 120
  • 3
  • 0
  • Gedichten Ria Dokter 06-53841028, riadokter@hotmail.com YouTube kanaal: 51goud
    Illustraties Joanneke marchal

    Luchtblauw

    In de lente
    als het warm wordt,
    wacht ik op de grote dag.
    Want de koeien gaan naar buiten
    heel erg blij dat dat dan mag.
    ’t Begint heel zachtjes metgerommel,
    komen ze dan dichterbij,
    wordt het een grote koeieherrie,
    dat is feest voor hun en mij.
    Ze lopen echt niet in een rijtje,
    dat komt door hunnieuwsgierigheid.
    Ze willen dwalen door de tuinen,
    maar dat kan niet, door de meid.
    De meid erachter op haar fietsje,
    met een zweep vast in haar hand,
    geeft een knaller op de stenen
    dan springen ze niet uit de band.
    Als het feest dan weer voorbij is
    geef ik een hele diepe zucht.
    ’k Ben dan blij, net als dekoeien
    en kijk naar de blauwe lucht.
  • Bagger

    Lag ik, lekker voor m’n lol,
    als relaxte platte schol,
    in de zee, diep weggedoken,
    met mijn ogen half geloken.
    Ik deed een dutje, k’lag te soezen,
    weg te dromen en te roezen,
    toen m’n leven in een tel,
    omgedraaid werd, t’was een hel.
    Een baggerschip zoog alles op.
    De hele buurt lag op z’n kop.
    Ik schrok me rot, ik was klaar wakker.
    Ik ben wel een schol, maar niet voor de bakker.
    Achter het schip vlogen de meeuwen.
    Ik hoorde ze krijsen , ik hoorde ze schreeuwen.
    Nou gun ik meeuwen best wat eten,
    maar ik, als schol, ben niet te vreten.
    Ik ging als een paling aan de haal,
    ontnam de meeuwen zo een maal.

    Het baggerschip is weggevaren.
    Alles is weer aan t’bedaren.
    De boel is gelukkig tot rust gekomen.
    Ik lig weer te soezen en weg te dromen.
  • Bijknippen

    Ikzat gisteren, heel erg dapper,
    metm’n moeder bij de kapper.
    Ikwas wel een beetje bang.

    Wezouden gaan om Bij te knippen.
    Noudat zag ik dus wel zitten.
    Mijnhaar was dan in een klap lang.

    Ikwou het allemaal geloven,
    toenzag ik de Schaar, daarboven
    enmijn haren op de grond.

    Mijnmoeder had het dus gelogen.
    Ikvoelde me heel erg bedrogen
    enniet mooi en lang en blond.

    Ikhad nu echt een stekelkoppie
    enik dacht; ik ga, nee, nooit meer
    naardie stomme kapper toe.

    Zekunnen me nog meer vertellen
    alstaan ze honderd keer te bellen.
    Ik luisterniet meer naar m’n moe.
  • DebuTante

    Er was een dikkedebuTante
    en een dikke debuOom.
    ‘t Waren grote olifanten
    en ze waren ietwat loom.
    Ze kwamen hier om op te treden
    voor een breed en wild publiek.
    Maar voordat ze zouden beginnen
    werd de tante een beetje ziek.
    Ze voelde zich zo zenuwachtig,
    pijn in de maag, de buik, de slurf.
    ''Oh m’n lieve'', zei de tante,
    ''schat, ik denk niet dat ik durf''.
    ''Goeiemorge, lieve hemel,
    we staan hier nu net helemaal klaar.
    Als jij niet met me op wilt treden
    ben ik allenig de sigaar.
    Kom nou maar, het gaat wel over,
    als we eenmaal bezig zijn.
    We hebben nu zo vaak geoefend,
    meid, straks loopt het als een trein''.
    Nou daar gingen ze, ietwat bibberig.
    Het publiek die zag dat niet,
    Want ze gilden en ze juichten
    tot het paar hen weer verliet.
    ''Zie je nou, het ging geweldig.
    Groot applaus voor jou en mij!''
    ''Ja, m’n buikpijn is nu over,
    ’t is weer helemaal voorbij''.

    Alles wat je dus voor ’t eerst doet
    geeft je best een eng gevoel.
    Maar het gaat je zeker lukken,
    als je begrijpt wat ik bedoel.
  • Dromeland

    Loopik naar school
    danis het of ik
    op een lange reis ga.

    M’nschooltas met m’n spullen
    hebik om.
    Eenkoe likt
    aaneen steen
    meteen hele lange tong.
    Alsik die steen zou zijn,
    brrr…

    Ineenskomen
    gillendeganzen
    overme heen.

    Ikkijk omhoog,
    waarkwekken ze
    tochaltijd over.
    Hebbenze ruzie
    overwie er voorop mag
    ofwaar ze gaan winkelen?

    Ikdoe alsof ik groot ben
    envoor het gezin
    boodschappendoe.

    Ondertussen
    knapik met mijn vingers
    blaadjesvan de heg in twee.

    Daaris de school.
    Hetgewone leven gaat weer beginnen.
  • Een uil in Flevoland

    Eenuil op een tak in Flevoland,
    diehad iets heel vies geroken.
    Hijwerd er een beetje misselijk van
    enis toen vlug weggedoken.

    Hijvluchtte eerst in een ouwe schuur,
    daarstonden wel twintig koeien.
    Zewerden gestoord vanwege de uil
    enbegonnen heel boos te loeien.

    Deuil vloog snel weg en zag daar een meer.
    Laatik daar maar eens lekker gaan zitten.
    Toenhij er kwam stonk het errug naar ham
    wantdaar lag een varken te pitten.

    Deuil zag wat later een stevige stok,
    daarkon hij wel wat op gaan tukken.
    Vanslaap kwam er niets,
    Hetwas een mast van een boot
    waarde wind steeds maar aan zat terukken.

    Zokwam hij toch nooit aan z’n slaapje toe,
    eengoeie dagrust kon hij wel vergeten.
    Alshij dat eerder geweten had,
    danhad hij het wel geweten.

    Hijwas dan gewoon, met stank en al,
    opz’n takje blijven zitten.
    Deuil had dan al een uur ofzo
    lekkergeurig kunnen pitten.
  • Engeland

    Ikwas een keer in Engeland.
    Methet vliegtuig daar geland,
    wildeik een praatje maken.
    Ikkon ze echt niet goed verstaan,
    dustoen ben ik maar weggegaan.
  • Gebed van Hannah

    “Alswe gaan verhuizen,”
    zeiik tegen de Heer,
    “danwil ik een roze kamer,
    nietsminder en niets meer.
    Ermoeten gouden kroontjes
    enbloemen op de muur.
    Ohja en ook nog sterretjes,
    datis toch niet te duur?”

    Mijnmoeder dacht: ”Ach ja,
    datschilder ik er wel op.
    Wemaken het gezellig
    meteen knuffel en een pop.”

    Toenkregen we de sleutel,
    wemochten in ons huis.
    Wegingen overal kijken
    envoelden ons er thuis.

    Maartoen we boven kwamen
    gafm’n moeder ineens een gil.
    “Kijknou toch eens Hannah,
    precieswat jij wil!”

    Daarwas mijn roze kamer,
    engeschilderd op de muur,
    dekroontjes en de bloemen,
    desterretjes (niet te duur).

    ’kZei: “Mam waarom moet je schrikken?
    Hijwist dat ik dit wou.
    Watik vraag, dat doet de Heer.
    OmdatHij van me houdt.”

  • Grappige Chaim

    Ikben heel leuk

    datweet ik.

    Omdatde mensen

    altijdlachen

    ommijn grappen.

    Maarhet is gek

    alsik expres leuk wil zijn,

    lachenze niet.
  • H. de Mier

    H.de Mier was opgeschoten
    metde verkoop van zijn loten,
    delaatste twee waren betaald.
    Hijhad er dagen mee gelopen,
    t’wasveel werk, een lot verkopen,
    maarhij had het toch gehaald.

    t’Hadhem niet zo meegezeten,
    hetwas zwaar , hij liep te zweten
    metdie loten in z’n tas.
    Volgendjaar zou hij eerst trainen
    tegenkrampen in z’n benen,
    ach,hij wist waarvoor het was.

    Armemieren in verre landen
    langsde Afrikaanse stranden
    haddenhet niet echt heel breed.
    Metde loten kon je sparen
    envoor hen wat geld vergaren,
    ja,hij wist waar hij t’voor deed.

    Hijgaf een zuchtje van verlichting
    enhij liep meteen de richting
    vanz’n warm, gezellig huis.
    Zozou hij wat lekkers drinken,
    metzijn vrouw een glaasje klinken:
    Lieveschat, k’ben klaar, k’ben thuis!

    Jasjeuit en ook zijn schoenen,
    dankon hij z’n voeten boenen,
    daarnanam hij wel een douche.
    Nueerst lekker lui gaan zitten,
    misschienwel een dutje pitten,
    ja,hij voelde al een roes.

    Zijnslaapje was al halverwege,
    toenin z’n ooghoek, heel verlegen,
    hijzijn lieve vrouwtje zag.
    Zezei: Zeg Herman, kom es even,
    hierliggen er toch ook nog zeven?
    Kommijn schat, weer aan de slag.
  • Het onafhankelijkeuilskuiken

    Hetkuiken dacht; ik ben wel iemand
    dievan wanten weet.
    Datdacht’ie zo omdat hij zoon was
    vande wijze uil, zoals dat heet.
    Zodacht hij ook: Ik zal wel zeker
    bestemdzijn anderen iets te leren.
    Hijmaakte zich dus op
    omzichzelf goed te presenteren.
    Hijsleep zijn kromme snavel,
    wastezich achter zijn oren
    entoe hij daar mee klaar was
    voeldehij zich als herboren.
    Hijpoepte nog een drolletje
    enspoog een uilebal.,
    begontoen na te denken
    wathij zoal zeggen zal.
    Zijnpa had altijd wijze woorden
    uitz’n mouw geschud.
    Maardie was nu aan t’jagen
    bijeen Canadese hut.
    Diekon hij dus niet vragen
    enz’n broer was op vakantie.
    Opreis met een gezelschapsreis,
    zoeentje met garantie.
    Hetkuiken zat te denken,
    hadal menig bal gekotst.
    Deuren die verstreken,
    maaktehem iets minder trots.
    Hijwist nog niks, er kwam niets uit,
    misschienwas hij niet zo wijs.
    Opt’laatst ging hij, net als zijn broer
    metde anderen op reis.
    Daarleerde hij veel, het luisteren
    enook om zich heen te kijken.
    Zokon ook het onafhankelijk jong
    zijnleven toch verrijken.
  • Hondeleven

    Mijn baas heeft een strandtent,
    is altijd heel druk.
    Met zo’n baas, moet ik zeggen,
    heb je als hond veel geluk.

    Ik zelf houd steeds
    een oogje in het zeil.
    Ik snuffel wat rond
    en ik kwijl.

    Als de baas weer eens
    een klus heeft geklaard,
    licht ik mijn poot op
    en wiebel met mijn staart.

    Ik lig in de zon
    of ik lig in de weg.
    Ik kijk hoe hij werkt,
    ben trots op hem zeg.

    Ik knipoog dan weer
    naar die fijne vent
    en droom over hem,
    mijn baas van de strandtent.
  • Bacil

    Ik ben een bacil,
    ik weet wat ik wil:
    Mensen besmetten!
    Dat ze niezen en hoesten,
    snotteren en proesten.
    Oh, wat vind ik het toch fijn
    een lekkere vieze bacil te zijn.
  • Meisjes

    Meisjes,meisjes,
    watmoet je nou
    metmeisjes?
    Zehouden niet
    vanmodder
    ofvechten in het gras.
    Nietvan rare grappen
    ofrollen in een plas.
    Zehebben lange vlechten
    engekke jurken aan.
    Ofheel veel speldjes in hun haar,
    watheb je daar nou aan?
    Ikbegrijp de lieve Heer niet,
    dathij meisjes heeft gemaakt.
    Enwat je daar nou mee aan moet
    datsnap ik niet zo vaak.
  • Meneer de Zwaan

    Meneerde Zwaan kwam aangedreven.
    Opz’n hoede bij het leven
    loerdehij steeds om zich heen.
    Hijverkoopt je rake klappen
    enals je denkt te moeten grappen
    breekthij zo je arm of been.
    Somskomt hij ook wel uit het water,
    veelgedoe en veel gesnater,
    staathij midden op de weg.
    Komthij dan een auto tegen,
    Is’ieecht niet te verlegen,
    slaatook zelfs de auto zeg.
    Jekunt dan beter terug gaan rijen.
    Mevrouwde Zwaan zit op haar eieren
    ener mag dus niemand door.
    Meneerde Zwaan wil zo bewijzen
    datje hier nu niet kan reizen.
    ’kZou dan ook maar luist’ren hoor!
  • Micha

    Ikga ineens
    zoveelharder
    nuik mijn nikies heb.
    Ikren over de stoep,
    nou,nog harder dan een step.
    Hetis alsof ik vlieg,
    ikspring zo op een muur.
    Ikkan ook heel lang doorgaan
    wellanger dan een uur.
    Demensen blijven stilstaan
    alszij mij zo zien gaan.
    Zezeggen: ’’Moet je kijken,
    hijheeft nieuwe trimmers aan.’’
  • Mijn Neef

    Ik was vroeger altijd verliefd op mijn neef.
    We groeiden samen op,
    maar groeide hij scheef.
    Mijn neef werd alsmaar langer en langer.
    Z’n schouders leken wel klerenhangers.
    Zijn hoofd werd kaal,
    zijn buik steeds dikker.
    Hij leek een beetje op een kikker.
    Waar was toch die knappe neef gebleven,
    waar ik bij zou blijven heel mijn leven?
    Hij stotterde ook nog die arme jongen.
    Z’n stem sloeg over als we zongen.
    Zijn rug was behaard tot net aan z’n billen,
    als je hem zag zou je zo gaan gillen.
    Dacht ik aan hem dan begon ik te beven.
    Dus ben ik maar alleen gebleven.
  • Mijn sabbellap


    Ik moet mijn popje bij me hebben
    en mijn sabbellap.
    Mijn boeken moeten recht staan,
    mijn aapje op de trap.

    Ik wil mijn lichtje aan nu,
    mijn kussen ligt te hoog.
    Mijn sokken wil ik aan in bed,
    dat voelt zo lekker droog.

    Ik ga nu weer naar dromenland,
    daar is het altijd mooi.
    Ik ben daar een boerinnetje
    en spring dan in het hooi.

    Maar morgen word ik wakker
    en zie mijn spullen staan.
    Dan wil ik leuke staartjes
    en mijn rode jurkje aan.

    Ik moet mijn popje hebben
    en ook mijn sabbellap.
    Mijn boeken moeten rechtstaan
    en mijn aapje op de trap.
  • Rapper

    Ineen neushoorn zitten gaten.
    Tochkan dat kolos niet praten,
    ‘kheb nog nooit z’n stem gehoord.
    Alshij rent dan kan die vlugger
    daneen Harley Sportster Hugger,
    eenunieke in z’n soort.
    ‘k Zithet zomaar te verzinnen,
    datde neushoorn, stiekem, binnen,
    danineens een rap begint.
    Doetz’n bek dan heel wijd open,
    begintook swingender te lopen,
    alshij daar z’n liedje zingt.
    Uitz’n dak in een kwartiertje.
    Enhet scheelt hem echt geen ziertje,
    ookal staat ie in z’n hemd.
    Mochtje ooit het beest zien liggen
    lekkerlui, zoals de biggen,
    ’tis de Rapper,
    stoerevent!
  • Vogeltje

    Vogeltje, oh vogeltje,
    was ik maar zoals jij.
    Dan vloog ik
    hoog boven de stad
    en voelde me zo vrij.

    Dan stak ik, zeker weten,
    mijn tong eens lekker uit.
    Want niemand kon zo hoog
    en niemand zong zo luid.

    En als het dan ging regenen
    zat ik op de regenboog.
    Heel lekker dicht bij onze zon.
    Het was daar altijd droog.

    Ik zou ook ver gaan vliegen
    over alle landen heen.
    Naar Afrika, Amerika,
    met anderen of alleen.

    Daarna ging ik dan landen
    weer veilig op de grond
    en pikte met mijn snavel
    totdat ik wurmen vond.